Conclusive Evidentiary Value of Private Instruments on its way out?

9
Jun

Partner Misha Bemer recently wrote an article on the conclusive evidentiary value of private instruments in the Ñapa Business section of the Amigoe newspaper. Read the full article below (in Dutch).

Dwingende bewijskracht onderhandse akte op de helling?

Onlangs heeft het Hof Den Haag een ook voor de Arubaanse rechtspraktijk belangwekkend tussenvonnis gewezen. Waar ging het om?

In eerste aanleg heeft partij A gevorderd dat partij B wordt veroordeeld een bedrag van Eur 150.000,- aan partij A te betalen. Tussen partijen stond vast dat Partij A aan B een winkelpand had verkocht en dat een deel van de koopsom door partij A zou worden gefinancierd, middels een hypothecaire geldlening.

Volgens partij A zouden partijen tevens hebben afgesproken dat partij A partij B Eur 150.000,- zou lenen, voor de inrichting van het winkelpand. Als bewijs van het door partij A gestelde heeft partij A een document bestaand uit twee pagina’s overgelegd, waarbij op de eerste pagina staat vermeld dat partij B van Partij A een lening heeft verkregen van Eur 150.000,-. Op de tweede pagina staan de handtekeningen van partijen. De rechtbank heeft het stuk aangemerkt als een onderhandse akte. Uit de wet volgt dat een onderhandse akte dwingend bewijs oplevert. Dit wil zeggen dat de rechter verplicht is de inhoud van een onderhandse akte als waar aan te nemen, tenzij er tegenbewijs wordt geleverd, waarmee de inhoud van de akte wordt ontkracht.

Partij B heeft zich in haar verweer op het standpunt gesteld niets verschuldigd te zijn aan partij en dat de onderhandse akte van geldlening vervalst is. De handtekening op bladzijde twee van het uit twee pagina’s bestaande document zou wel van partij B zijn maar zou zijn gezet op een leeg handtekeningenblad behorende bij een andere overeenkomst. Partij A zou hieraan later de eerste bladzijde en de tekst op de tweede bladzijde hebben toegevoegd.

De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat partij B haar stelling dat de onderhandse akte vervalst is, dient te bewijzen. Ook heeft de rechtbank overwogen dat partij B haar stelling onvoldoende heeft onderbouwd. Vervolgens heeft de rechtbank partij A in het gelijk gesteld en de geldvordering toegewezen. Partij B heeft het er niet bij laten zitten en heeft hoger beroep ingesteld.

In hoger beroep heeft partij B betoogd dat de passage in het document waar partij A zich op beroept, zijnde de passage op de eerste bladzijde waarin is vermeld dat partij B van Partij A een lening heeft verkregen van Eur 150.000,- door partij B niet ondertekend en aldus geen akte is. Het Hof gaat hierin mee.
Zo heeft het hof overwogen dat uit de wet volgt dat akten ‘ondertekende geschriften’ zijn en daaruit en uit de memorie van toelichting volgt dat de akte is hetgeen boven de handtekening staat. Volgens het Hof kan niet worden gezegd dat de eerste bladzijde van het document waarop geen enkele handtekening is geplaatst boven de handtekeningen op de tweede pagina staat.

Daarbij heeft het Hof het van belang geacht dat het te makkelijk tot misbruik zou kunnen leiden wanneer teksten op bladzijden die door een partijen worden gepresenteerd als voorafgaand aan de bladzijde met de handtekening zouden worden beschouwd als te zijn geplaatst boven die handtekening. Zodoende heeft het Hof overwogen dat de eerste bladzijde van het document niet als een akte in de zin van de wet kan worden aangemerkt. Dientengevolge heeft het Hof overwogen dat partij A zich niet op de dwingende bewijskracht van een akte kan beroepen, dat zij de door haar gestelde lening zal dienen te bewijzen en dat nu zij bewijs heeft aangeboden in de gelegenheid zal worden gesteld dergelijk bewijs te leveren.

Slaagt partij A niet in haar bewijsopdracht dan laat de uitkomst zich raden; in dat geval zal het Hof naar het zich doet aanzien het vonnis van de rechtbank vernietigen.

Het vonnis is voor de Arubaanse rechtspraktijk des te relevanter, nu, anders dan in Nederland, de overdracht van aandelen in Aruba doorgaans onderhands plaatsvindt. Het kan tot een vervelende situatie leiden wanneer aandeelhouderschap zou worden betwist terwijl de aan het aandeelhouderschap ten grondslag liggende onderhandse akte niet als dwingend bewijs zou worden aangemerkt. Het vonnis biedt wat dat betreft ook enige soelaas. Zo heeft het Hof overwogen dat het document in kwestie wellicht als onderhandse akte zou kunnen worden aangemerkt wanneer vast zou staan dan wel is vastgesteld dat de eerste bladzijde bij de tweede bladzijde behoort. Voorts achtte het hof relevant dat de zinsnede op de tweede bladzijde van het document ‘dat de overeenkomst uit twee bladzijden bestaat’ onder de handtekeningen staat en dus volgens het Hof evenmin tot de akte behoort. Het Hof volgend zou het dan ook in ieder geval aan te bevelen zijn een dergelijke zinsnede boven de handtekening op te nemen. Een arrest uit 2010 van de Hoge Raad biedt een nader handvat; volgens de Hoge Raad kan een geparafeerd geschrift als een ondertekend geschrift gelden, indien de paraaf de desbetreffende persoon in voldoende mate individualiseert. Het is aldus vooral zaak erop toe te zien dat onderhandse akte steeds ook op elke bladzijde worden geparafeerd.